Didactische principes

De leermiddelen van Klim in taal zijn gestoeld op zes wetenschappelijk onderbouwde didactische principes voor taalstimulering. Hieronder lees je wat elk principe inhoudt en hoe je ze in je klas tot leven brengt.

Bekijk deze pagina op desktop om alle informatie te zien.

vliegende roofvogel

Samen sterk

De zes principes zijn het doeltreffendst wanneer je ze samen toepast. Daarom verwijst elk principe naar de andere. Je vindt ze ook terug in de kamers van de taalboomhut, met verwijzing naar hun wetenschappelijke onderbouwing.

papieren vliegtuig

Nieuwe kennis en woordenschat beklijven meer in een betekenisvolle context. Die creëer je met een sterk en uitdagend thema dat je over verschillende lessen uitbouwt. Door thematisch te werken kan je leerstof aanreiken vanuit verschillende invalshoeken, waardoor je kennis kan verdiepen en woordenschat kan herhalen in andere contexten.

Een sterk thema bouw je op door een rijke context te creëren. Met behulp van rijke teksten, afbeeldingen, filmpjes, voorwerpen, materialen enz. maak je kennis tastbaar, bouw je kennisnetwerken op en stimuleer je interactie. Koppel het thema aan herkenbare situaties en breng zo de leefwereld van de leerlingen binnen in de lessen.

Thematisch werken wordt nog sterker als leerlingen hun kennis verwerken in een eindproduct, zoals een tentoonstelling, een presentatie, een affiche, een boekje of een vertelling (bv. kamishibai). Dat maakt het leerproces tastbaar.

Realistische en relevante taken en activiteiten binnen een thema, gekoppeld aan voldoende uitdagende leerdoelen, werken motiverend. Daarom is het belangrijk om de leerdoelen die je vooropstelt te vertalen naar een motiverend doel op maat van de leerlingen. Dit doel is vaak niet-talig maar je leerlingen zullen hiervoor wel betekenisvolle boodschappen moeten (leren) verwerken en/of produceren. Zo kunnen leerlingen aangebrachte woordenschat meteen oefenen in een betekenisvolle context, en creëer je ruimte voor leerlingen om nieuwe kennis al sprekend, lezend en schrijvend te verwerken.

Communiceer het motiverend leerdoel bij de verschillende lesfases en koppel dit telkens aan de activiteiten en opdrachten waar je rond werkt. Zo weten alle leerlingen goed waar ze naartoe werken. Geef ruimte voor persoonlijke leerdoelen: vraag de leerlingen naar wat zij willen leren over het thema. Zo kan je later inspelen op hun interesses. Reflecteer op het einde van de les(sen) over het leerproces. Wat hebben ze geleerd? Wat lukt er nu beter? Wat is er nog moeilijk? Benoem hoe de leerlingen vooruitgang hebben gemaakt.

Voorbeeld

Een van je lesdoelen tijdens een les rond ‘reizen’ is dat je leerlingen met de aangebrachte doelwoordenschat een kort tekstje kunnen schrijven. Dat verpak je in een motiverend leerdoel voor de leerlingen: ze mogen een postkaart schrijven die ze vanuit hun droomland versturen. Je stimuleert het maken van eigen keuzes rond het land en de woordenschat die ze willen gebruiken. Ze beschrijven wat ze hebben gedaan en gezien met als houvast de woordenschat die actief werd ingeoefend. Op het einde van de les stellen ze het kaartje voor aan de klas en mogen ze er iets bij vertellen.

Ondersteuning en uitdaging

Uitdagende leerdoelen tonen hoge verwachtingen maar daar staat natuurlijk de nodige ondersteuning tegenover. Bouw voldoende spreek- en oefenkansen in, geef de leerlingen de nodige tijd en bied verschillende vormen van ondersteuning aan zodat ze de leerdoelen kunnen behalen. Zorg voor tussentijdse succeservaringen door te benoemen wat al goed gaat en voorzie kansen om van elkaar te leren door voldoende in te zetten op onderlinge interactie. Het GRRIM-model (zie ‘expliciete instructie’) kan hierbij houvast bieden.

Niet elke leerling heeft dezelfde noden of dezelfde voorkennis. Denk daarom vooraf, tijdens en na een activiteit goed na over welke ondersteuning leerlingen nodig hebben om tot een succeservaring te komen. Dit noemen we scaffolding, het tijdelijk aanbieden van ondersteuning die leerlingen helpt om taken uit te voeren die ze nog niet volledig zelfstandig kunnen. Naarmate leerlingen competenter worden, bouw je ondersteuning af zodat ze stap voor stap zelfstandiger leren werken. Maak voor beginnende taalleerders een selectie uit de leerdoelen. Focus daarbij vooral op mondelinge taal en functionele woordenschat gekoppeld aan de meest relevante leerdoelen om gericht te kunnen ondersteunen.

Een krachtige vorm van scaffolding is modelleren. Door hardop denkend voor te doen hoe je een taak of instructie aanpakt, ondersteun je het leerproces van je leerlingen. Je toont niet alleen wat ze moeten doen, maar ook hoe en waarom je bepaalde keuzes maakt. Zo krijgen leerlingen inzicht in denkstrategieën, taalgebruik en werkwijzen die ze later zelf kunnen toepassen. Dit kan klassikaal, in kleinere groepjes tijdens een verlengde instructie of één-op-één.

Maak voor jezelf duidelijk welke kennis, woordenschat en vaardigheden leerlingen al moeten beheersen om de instructie of opdracht succesvol uit te voeren. Door voorkennis te activeren, zorg je ervoor dat de leerlingen een mentale kapstok met gekende concepten paraat hebben, waaraan ze gemakkelijker nieuwe inhouden kunnen koppelen. Zo zullen ze nieuwe informatie beter opslaan en verwerken.

Activeer voorkennis in interactie met je leerlingen aan de hand van een brainstorm, een woordenwolk, de werkvorm denken-delen-uitwisselen, een activerende opdracht zoals een quiz enz. Bespreek samen de kernbegrippen die bij het thema horen en laat ze voorspellingen maken over prikkelende vragen gerelateerd aan het thema (of bv. de tekst of video waarrond je werkt).

Spreekdurf is een belangrijke motor voor taalontwikkeling. Maken kinderen taalfouten, verbeter hen dan vooral impliciet: reageer op de boodschap, niet de taal. Gebruik verbale en non–verbale communicatie om je boodschap te ondersteunen:

  • Parafraseer en breid hun antwoorden uit door om te zetten in rijkere taal (= duidelijke volzinnen). Reik daarbij extra taal en nieuwe woorden aan.
  • Doe aan betekenisonderhandeling: in interactie met de leerling(en) kom je tot begrip van een nieuw of moeilijk woord in een betekenisvolle context (zie voorbeeld hieronder voor het woord ‘onderweg’).
  • Spreek trager en duidelijker tegen leerlingen die niet gemakkelijk tot begrip komen en benadruk kernwoorden (“Jij wil met de boot VAREN!”).
  • Stop de interactie niet bij ‘Ik weet het niet’ of bij een fout antwoord. Zet hen op weg met tussenvragen zodat ze hun antwoord kunnen opbouwen. Geef keuzeopties of een tip of doe enkele denkstappen voor (= modelleer).
  • Ondersteun je boodschap met visuele hulp zoals afbeeldingen.
  • Zet de thuistaal van je leerlingen functioneel in. Laat leerlingen een uitleg afmaken in de eigen taal als ze vastzitten of een woord gebruiken in de thuistaal als hen dat helpt om tot mondelinge productie te komen. Leerlingen met dezelfde thuistaal kunnen eventueel helpen bij het omzetten naar het Nederlands.

Voorbeeld van taalfeedback

Leerkracht: “Welke bestemming heb jij gekozen?”
Leerling: “Australië.”
Leerkracht: “Hoe wil jij naar Australië gaan?”
Leerling: “Vliegen.”
Reactie leerkracht: “Oh, jij wil met het VLIEGTUIG naar Australië! Waarom wil je met het VLIEGTUIG gaan?”
Leerling: “Gaat niet met auto.”
Leerkracht: “Omdat het niet gaat met de auto. Klopt. En waarom niet?”
Leerling: “Hmm … De zee.”
Leerkracht: “Ja, inderdaad. Er is geen WEG naar Australië want overal ROND Australië [toont afbeelding] is water. Kan je ook nog met een ander voertuig in Australië geraken?”
Andere leerlingen: “De boot!”
Leerkracht: “Ja, je kan ook met de boot naar Australië. En ben je lang onderweg met het vliegtuig?”
Leerling: “Ik weet het niet.”
Leerkracht: “Oké. Zullen we het eens samen opzoeken? Oh, ik vind hier dat ik 27 UUR moet vliegen. 27 UUR op het vliegtuig. Ben ik dan LANG onderweg [gebruikt gebaar] van België naar Australië of ‘Ben ik NIET LANG onderweg?’ [gebruikt gebaar]”
Leerling: “Lang.”
Leerkracht: “Ja, je bent HEEL LANG ONDERWEG naar Australië. Want Australië is HEEL …” [maakt gebaar]
Leerling: “… Loin.”
Leerkracht: “Ja, Australië is heel VER [maakt gebaar]. Niet DICHT maar VER.”

Zorg dat ook stillere leerlingen en beginnende taalleerders zich betrokken voelen bij het klasgebeuren en veel rijke taal horen. Geef hun veilige oefenkansen. Wees geduldig en geef hun voldoende tijd om te antwoorden. Is hun taalproductie heel beperkt, laat hen dan voorwerpen/afbeeldingen aanwijzen en verrijk hun antwoord in interactie (zie hierboven). Bied hulpkaartjes met sleutelwoorden (bv. in combinatie met een afbeelding) of spreekkaders aan ter ondersteuning. Laat hen antwoorden fluisteren of in de thuistaal zeggen als hen dat helpt. Maak duidelijk in je interactie dat fouten erbij horen en belangrijke leermomenten kunnen zijn.

Ook minder taalsterke leerlingen hebben baat bij uitdagende opdrachten en een rijk taalaanbod. Rijke teksten stimuleren taalontwikkeling, kennisopbouw en leesmotivatie. Het zijn authentieke teksten met gevarieerde woordenschat, voldoende complexe zinsstructuren en inhoudelijke diepgang, zoals boeken, artikels, folders of audiovisueel materiaal.

Zorg voor context en interactie

  • Geef een motiverend en betekenisvol leesdoel op hun maat, bij voorkeur in de vorm van een prikkelende vraag. Neem een kijkje op rijketeksten.org ter inspiratie.
  • Activeer de nodige voor– en achtergrondkennis (zie tips bij ‘Activeer de nodige voorkennis’).
  • Zet in op pre–teaching van moeilijke woorden en constructies die belangrijk zijn voor het begrip.
  • Stel open vragen over de tekst. Laat leerlingen samenwerken, zelf vragen noteren of vraagtekens plaatsen bij moeilijke stukken. Vat samen wat geleerd werd door met de leerlingen kerninformatie te verzamelen en structureren.
  • Gebruik de methode interactief voorlezen om je leerlingen lees- en taalvaardiger te maken. Via www.iedereenleest.be/interactief-voorlezen vind je tal van tips hoe je dit kan aanpakken. Denk na over het doel dat je wil bereiken: een ontspanningsmoment, een manier om doelbewust woordenschat aan te brengen of een onderwerp aanbrengen of uitdiepen. Stem je aanpak hierop af.

Modelleer leesstrategieën

  • Modelleer leesstrategieën door hardop denkend voor te doen hoe jij de tekst gaat verwerken in functie van het leesdoel dat je hebt gecommuniceerd: “Ik wil weten hoe snel mijn voertuig is. Ik moet de informatie vinden in deze tekst. Ik ga eerst eens alle tussentitels lezen. In deze titel lees ik over een vergelijking van de kostprijs. Deze alinea ga ik even negeren. Aha, deze titel gaat over de snelheid van verschillende voertuigen. Ik lees even dit stukje door. In deze regels vind ik informatie over mijn voertuig. Deze zinnen ga ik goed lezen en daarna nog eens herlezen.”
  • Bespreek belangrijke signaalwoorden en doe hierbij aan betekenisonderhandeling: “Ik lees in deze zin het woordje ‘maar’. Is dat dan een voordeel of een nadeel? Ik ga de zin nog eens goed herlezen.”
  • Modelleer woordenschatstrategieën en toon zo hoe jij betekenis toekent aan een woord (kijken naar de context, samenstelling van het woord, …).
  • Modelleer hoe jij verbanden legt tussen informatie uit de tekst en aangehaalde voor– en achtergrondkennis.

Zet in op herhaald lezen

  • Het leesvermogen van leerlingen wordt sterker als ze verschillende kansen krijgen om de tekst te lezen, bv. een combinatie van voorlezen, individueel lezen en in duo lezen (in functie van een opdracht).
  • Je kan ook herhaald lezen om achtereenvolgens zowel aan technisch lezen, leesbegrip als woordenschat te werken. Je keert dan telkens met een andere focus terug naar dezelfde tekst.
  • Wil je werken aan vloeiend lezen, dan kan je ook inzetten op voor-koor-door lezen. Dat is een vorm van lezen waarbij de leerkracht en de leerlingen samen de tekst lezen. Eerst lees jij als leerkracht voor, daarna lezen jullie samen de tekst in koor en ten slotte leest de leerling de tekst zelfstandig. Dit kan bijvoorbeeld in duo’s, waarbij ze elkaar feedback geven.

Werk op maat

  • Varieer in moeilijkheidsgraad van opdrachten.
  • Focus met beginnende taalleerders op het mondeling aanbrengen van kerninformatie uit de tekst en zorg daarbij voor visuele ondersteuning zoals prenten of foto’s en/of ondersteuning via samenwerking met leerlingen met eenzelfde thuistaal.

Zowel (taal)sterkere als minder (taal)sterke leerlingen halen voordeel uit een afwisseling tussen homogene en heterogene groepen. Belangrijk is dat alle leerlingen voldoende uitgedaagd worden.

  • Heterogene groepen op basis van leernoden en interesse zorgen ervoor dat minder taalsterke leerlingen zich optrekken aan hun sterkere klasgenoten. Omgekeerd verdiepen sterke leerlingen ook hun taalcompetentie door hun peers te ondersteunen, bijvoorbeeld door een bepaalde strategie te verwoorden.
  • Homogene groepen of niveaugroepen dagen leerlingen uit op hun competentieniveau. Minder sterke groepen ondersteun je met verlengde instructie waarbij je bv. de instructie nog eens modelleert en/of samen met hen de nodige strategieën inoefent.

Interactie

In interactie met jou en elkaar leren leerlingen ideeën en gedachten verwoorden, kritisch luisteren en samen tot dieper begrip komen. Zo zet je niet alleen in op kennisverwerking maar stimuleer je ook hun taalontwikkeling en verhoog je hun betrokkenheid en motivatie. Gebruik hun nieuwsgierigheid als aanknopingspunt om interactie te initiëren bij de opstart van een thema of activiteit:

  • Stel een prikkelende vraag als starter: “Ik heb hier veel voorwerpen verzameld in de kring. Deze voorwerpen komen uit mijn rugzak. Wat zou ik met deze rugzak gaan doen?”
  • Activeer hun voorkennis in interactie. Wat weten ze al? Wat willen ze graag te weten komen? Ga in gesprek of laat hen in duo gedachten verwoorden. Ondersteun met een visuele kapstok zoals een mindmap: “Ik heb hier een lege kaart van Europa. Welke landen kennen jullie al? Waar liggen deze landen?”
  • Creëer een probleem: “Mijn reiskoffer is te zwaar. Ik kan dus niet alles meenemen. Wat heb ik niet echt nodig? Kunnen jullie mij helpen beslissen?”
  • Beweer iets absurds: “Ik zie hier bergschoenen liggen. Die heb ik nodig als ik naar het strand wil gaan, toch?”
  • Doe alsof je iets niet weet: “Ik vraag me af hoe we het snelst op onze bestemming kunnen geraken. Wat denken jullie?”

Trainen op mondelinge vaardigheden doe je door in te zetten op kwaliteitsvolle interactie en voldoende spreekkansen doorheen je (les)activiteiten. Een rijk en doordacht taalaanbod vormt hiervoor het startpunt. Dat gaat over de context die je als leerkracht creëert, maar ook over de teksten waarmee je werkt, de woordenschat die je bewust aanbiedt en de taal die je modelleert. Een kwaliteitsvol taalaanbod sluit aan bij de leefwereld van de kinderen én bij hun taalniveau.

Daag leerlingen talig voldoende uit. Dat betekent dat je als leerkracht niet alleen hoge verwachtingen hebt, maar ook veel ondersteuning biedt om leerlingen te helpen groeien in taal:

  • Werk met beurtstokjes en bewaak zo de spreekkansen van je leerlingen.
  • Schoudermaatjes stimuleren onderlinge interactie. Laat hen praten aan de hand van een denkvraag of eenvoudige opdracht die ze samen moeten uitvoeren.

Spreekkaders of visuele ondersteuning kunnen in deze fase helpen als houvast. Leerlingen met dezelfde thuistaal kunnen samenwerken en hun thuistaal inzetten. Terugkoppeling over hun gesprek in het Nederlands is hierbij belangrijk.

  • Met de werkvorm denken–delen–uitwisselen geef je alle leerlingen voldoende denktijd. Dit helpt leerlingen die meer tijd nodig hebben om hun gedachten te formuleren bij vragen zoals “Wat zie je?”, “Wat gebeurt hier?” of “Waaraan denk je bij dit woord?”. Uitwisseling in duo’s zorgt voor een veilige oefencontext en de terugkoppelfase laat toe hun ideeën samen te vatten en hun taal te verrijken.

Zet visuele ondersteuning in om niveauverschillen op te vangen. Beginnende taalleerders kunnen aan de hand van afbeeldingen of een praatplaat inbreng leveren (via aanduiden of korte woorden formuleren), die ze eerst met hun schoudermaatje kunnen bespreken.

  • Stel veel open vragen van uiteenlopende moeilijkheidsgraden. Dat stimuleert leerlingen om op verschillende niveaus na te denken. Dat kan gaan van reproductieve vragen (“Wat weet je nog over…?”) tot meer reflectieve vragen (“Wat denk je over…?”). Als leerkracht vraag je door, laat je leerlingen reageren op elkaar en bouw je samen antwoorden op.
  • Voer taaldenkgesprekken waarbij de inhoud centraal staat. In tegenstelling tot een vooraf voorbereid onderwijsleergesprek bied je bij dit soort gesprekken ruimte voor samen redeneren en werk je met de spontane inbreng van de leerlingen. Actief luisteren en inspelen op hun input is hierbij cruciaal. Denkstimulerende vragen zoals “Waarom denk je dat?” of “Hoe zou dat komen?” verdiepen gesprekken en stimuleren het delen van onderlinge ervaringen.

Gebruik de vragentrap als hulpmiddel om te differentiëren. Start je gesprek met een open denkvraag. Heeft een leerling weinig inspiratie of input, schakel dan over naar een minder moeilijke vraag. Ook gesloten vragen of doe-vragen (bv. afbeelding aanwijzen) kunnen aanleiding geven tot diepere reflectie als je doorvraagt. Hou de klas samen, want zo kunnen alle leerlingen meedenken en rijke taal horen terwijl anderen de open denkvraag beantwoorden. Zet daarbij in op gerichte taalfeedback.

Voorbeeld van de vragentrap bij een taaldenkgesprek over reizen

Open denkvraag: “Waarom gaan mensen graag op reis?”
Open vraag: “Wat vind jij leuk aan dat land?”
Gesloten vraag: “Ligt dit land in Europa?”
Doe-vraag: “Naar welk land zou jij graag op reis gaan? Kan je het aanduiden op de kaart?”

Vragentrap bij een taaldenkgesprek over reizen

Bij een rijk taalaanbod hoort een selectie van woordenschat die je doelbewust aanbrengt en inoefent. Bouw je thema op met opdrachten en activiteiten die toelaten om deze doelwoordenschat te herhalen in verschillende contexten. Daarnaast kunnen uiteraard ook andere woorden binnen het thema aan bod komen waar je aandacht aan besteedt.

Met doordachte interactie bied je kansen voor je leerlingen om deze (nieuwe) woordenschat te gebruiken in hun eigen spreek- en schrijftaal. Gebruik de doelwoordenschat veelvuldig en benadruk deze in je mondelinge communicatie naar de leerlingen.

Laat hen zinnen produceren waarin ze het woord toepassen in een nieuwe context. Dat bevordert het begrip en gebruik van het woord. Voor sommige leerlingen zal dit een te grote stap zijn. Overweeg dan één of meerdere van deze tussenvormen om aan betekenisonderhandeling te doen:

  • Laat leerlingen inschatten of een woord past in een bepaalde context. Kies bijvoorbeeld het woord zwaar of scherp, en toon verschillende afbeeldingen of situaties: “Is deze doos zwaar?” – “Is dit mes scherp?” – “Is dit geluid luid?”
  • Laat hen woorden vergelijken. Geef een korte omschrijving zoals: “Hij hielp zijn klasgenoot goed met de oefening.” Vraag vervolgens: “Past daar beter het woord ‘vriendelijk’ of ‘nuttig’ bij?”
  • Geef een aanvulling of zinsstart. Voorzie een begin van een zin zoals: “De schoolreis was spannend, want …” / “We vonden de oefening leuk omdat…”

Tip!

Werk met een aantal kernbegrippen per thema waaraan je de doelwoordenschat koppelt. Maak de verbanden tussen de begrippen en woordenschat zichtbaar aan de hand van een woordenschatmuur. Op die manier visualiseer je het woordenschatnetwerk dat je tijdens het thema opbouwt. Gebruik afbeeldingen, woordkaarten en kleuren als visuele taalondersteuning.

Nieuwe leerstof aanbrengen en inoefenen doe je dus best in interactie met je leerlingen. Hoe je dit kan inbouwen in de verschillende fases van instructie lees je bij het principe ‘expliciete instructie’.

Expliciete instructie

vliegende vogel met brief

Leerlingen leren nieuwe dingen op twee manieren. Enerzijds leren ze impliciet: ze pikken bijvoorbeeld woorden en zinsstructuren op door te luisteren naar verhalen, deel te nemen aan gesprekken of zelfstandig te lezen. Visuele ondersteuning en tastbare ervaringen zorgen ervoor dat deze woordenschat beter opgeslagen wordt. Anderzijds leren kinderen ook expliciet, via gerichte instructie. Hoewel het belangrijk is dat leerlingen volop worden blootgesteld aan rijke taal, is een combinatie van impliciete instructie – via een rijk taalaanbod – én expliciete instructie nodig om nieuwe kennis aan te reiken en vast te zetten.

Een bruikbaar kader om nieuwe kennis aan te brengen en in te oefenen is het GRRIM–model (gradual release of responsibility instruction model). Dit model bouwt ondersteuning geleidelijk af en stimuleert leerlingen om steeds zelfstandiger te werken. Eerst doet de leerkracht zelf voor (= modelleren) hoe een opdracht aangepakt wordt. Daarna legt de leerkracht de denkstappen interactief uit en betrekt die de leerlingen actief bij het proces (= vragen stellen). Vervolgens voeren leerkracht en leerlingen de opdracht samen uit. In een volgende fase werken leerlingen per twee zodat ze elkaar kunnen ondersteunen en taal kunnen uitwisselen. Uiteindelijk gaan leerlingen individueel aan de slag. Door deze geleidelijke opbouw krijgen leerlingen voldoende houvast en groeit hun zelfvertrouwen om zelfstandig taken uit te voeren.

Driehoeksdiagram toont verantwoordelijkheid bij de leerkracht met instructie, begeleid inoefenen en samenwerken, en verantwoordelijkheid bij de leerling met 'Ik doe het', 'Wij doen het samen', 'Jullie doen het samen' en 'Je doet het zelf'. In het midden staat 'Individueel werken en reflecteren over strategie'

Transfer

Transfer wil zeggen dat je kennis of vaardigheden die in één context geleerd zijn, kan toepassen in een andere context. Ook binnen de lessen zijn er veel mogelijkheden om woordenschat en kennis te laten terugkomen in andere contexten. Net daarom werk je best met een sterk thema dat je over verschillende lessen kan uitdiepen en vanuit verschillende invalshoeken kan benaderen.

Op die manier kan je voldoende inzetten op herhaling. Het volstaat namelijk vaak niet om nieuwe inhouden slechts eenmaal aan te brengen. Leerinhouden herhalen binnen verschillende contexten zorgt ervoor dat de nieuwe leerstof ook beter opgenomen wordt.

Voorbeeld

Tijdens een les rond ‘voertuigen’ kan je leerlingen kennis en woordenschat laten inoefenen die ze in een volgende les moeten inzetten om hun droomreis te plannen. In die les moeten ze dan verwoorden hoe ze naar hun land zullen reizen en beargumenteren waarom ze voor een bepaald voertuig kiezen.

Buiten de les kan je woordenschat en kennis van een gezien thema linken aan een uitstap die je doet met de leerlingen. Werk je rond de landen van Europa, dan kan het bijvoorbeeld een leuk idee zijn om samen met hen naar Mini-Europa te gaan en tijdens de uitstap de voorkennis van de leerlingen opnieuw te activeren zodat ze nieuw aangereikte kennis beter onthouden.

Motivatie

Leerlingen die intrinsiek gemotiveerd zijn om iets te leren, zullen meer moeite doen om nieuwe leerstof actief op te nemen. De meest effectieve manieren om leerlingen te motiveren tot leren:

  • richten zich op het stellen van uitdagende en motiverende leerdoelen in een voor hen betekenisvolle context,
  • zetten in op succeservaringen en een gevoel van competentie bij leerlingen via ondersteuning en uitdaging,
  • spelen in op de interesses van leerlingen (wat opnieuw samenhangt met het principe ‘betekenisvol’),
  • geven leerlingen keuzevrijheid,
  • en stimuleren de verbondenheid onder de leerlingen door ze te laten samenwerken en in dialoog te laten gaan.

De drie kernbegrippen om leerlingen te motiveren om te leren zijn dus autonomie, verbondenheid en competentie, vaak samengevat als het ABC van leermotivatie. Dit hangt heel nauw samen met de andere didactische principes. Zet doordacht in op een combinatie van deze vijf didactische principes, en je creëert (bijna) automatisch een motiverende leeromgeving voor je leerlingen.

Terug naar de taal­boomhut

Ontdek hoe deze principes tot leven komen in de verschillende kamers van Klim in taal.

kangoeroe met bril en stok

Zoeken

WIn een KIT-workshop in de klas!

Onze taalboomhut viert z’n eerste verjaardag! 🎂

Dat laten we natuurlijk niet zomaar voorbijgaan. Om dit te vieren geven we een inspirerende workshop ‘effectieve taaldidactiek’ weg!

Hoe neem je deel?

  • Vertel ons hoe jij Klim in taal gebruikt in de klas.
  • Breng onze taalboomhut creatief in beeld.
  • Stuur het ons door vóór 2 november via het formulier.

En wie weet komen we langs bij jou op school!

Gedetailleerde illustratie van fantasierijke taalboomhut met verschillende kamers verbonden door ladders en bruggen. Diverse dieren bewonen de boom: vogels, eekhoorns, beren en andere dieren. Basis is roze boomstam met ladder.

Geef jouw feedback!

Onze taalboomhut viert binnenkort z’n eerste verjaardag! 🎂

Om jullie nog vlotter te laten klimmen in taal, peilen we graag naar jullie ervaring met onze website.

  • Vul de bevraging in via de onderstaande knop.
  • Geef op het einde ook je e-mailadres mee.
  • Maak kans op een boekenbon t.w.v. €100 voor op school!

kick-off van Klim in taal

Op maandag 2 juni gaf het Vlaams Talenplatform samen met het team van basisschool  Klim-Op (Sint-Truiden) het startschot voor Klim in taal. Het was een namiddag vol taal- en klimplezier! Minister van Onderwijs Zuhal Demir rolde de klimladder mee uit!

Ontvang onze nieuwsbrief!

Wij verwerken je gegevens volgens ons privacybeleid.